... Columns ... Gedichten ... Verhalen... Publicaties ...
 
 
 
 

Er was eens

Boven op een heiknobbel zat een Urm. Je weet wel, zo’n grimmige Dang, een goede zure. Of het een hij was of een zij was niet te zien. Trouwens, als je het wist had je er nog niets aan want Urmen kunnen als ze zin hebben zowel het één zijn als het ander. Vrouwtjes hebben meestal twee neuzen en mannetjes drie oren, maar ook dat kan van Urm tot Urm verschillen. Deze had overal een woeste oranje haardos, dus welke uitsteeksels er dan ook aan zaten waren verscholen achter de ongekamde krullen. En deze Urm zat geluidloos te schreeuwen. Dan moet je uit de buurt blijven. Meestal doen ze niemand kwaad maar in deze toestand zijn ze behoorlijk prikkelbaar. Als je binnen en straal van twee meter van ze komt, als ze zo stil krijsen, dat zit je in een mum van tijd onder de haarfijne stekels. Niet prettig, echt niet prettig. Nu kan ik even niet verder vertellen omdat ik mijn haar moet wassen. Ik hoop dat je dat niet erg vindt.

Dat haar wassen is heel belangrijk, want Urms houden niet van schoongewassen haar. Met vies haar loop je altijd het risico dat een Urm een groene haar in je kapsel stopt. En dan ben je nog niet jarig. Eén zo’n groene Urmhaar kan je hele dag verpesten. Je merkt het meestal pas als de mensen je mijden, met een grote boog om je heen lopen en hun neus ophalen alsof je vreselijk stinkt. Zelf ruik je dat niet, dat is het gemene. Typisch een Urmstreek.

Je zou zo denken, waarom bestaan ze die Urmen. Waarschijnlijk zijn ze zo nuttig als muggen. Vogelvoer is een belangrijke bestaansreden. Hoewel nog nooit iemand heeft bewezen dat er één levend wezen is dat Urms eet. Ook al wordt er gefluisterd dat Elgers er dol op zijn. Maar op hun goede dagen woelen Urms de grond los en dat is weer belangrijk voor de Urmenwortel. Dat is hun eigen belangrijke voer. Urmenwortels zitten aan het zevenblad, een plant die als ze de kans krijgt alles overwoekert. Je begrijpt dat de Urm daarvan houdt.


De dauwhuiler

Het mannetje Steeketee zat op een zonnebloen en weende. Dat was zijn vak. Zodra de eerste zonnestraal verscheen verdween het mannetje Steeketee. Hij had zijn taakje gedaan. Waar de Steeketeetjes blijven als de zon schijn weet alleen de Urm.


De grasrasper

Lieoneel was een grasrasper. Wat hij deed wist niemand omdat hij het onmogelijke wilde. Gras laat zich niet raspen. Ook al weer een vriendje van de Urm. Soms dansten ze samen in de maneschijn, hoewel ze daar nu ook weer niet vrolijk van werden. ‘Ik wil, ik wil’, zong dan Lieoneel en de Urm kreunde: ‘Ik zie zo scheel, zo scheel.’ Nu begrijp je misschien waarom het mannetje Steeketee tot aan het ochtendgloren weende.


De nachtvlinder

Zij danste beeldig, dacht ze, maar in werkelijkheid was het een onhandig gefladder. Maar omdat ze dat alleen ‘s nachts deed, lachte niemand haar uit. Trouwens waarom zou je om haar lachen, ze deed niemand kwaad en zo grappig was ze ook niet. Dochter van een dronken lellebel. Treurig tot aan de horizon en tegen de ochtend verdween ze, droef gedanst. Nee, een leuk leven had ze niet. Maar de Urm had haar in de gaten. Waar ze ook ging de Urm gaf haar elke nacht een groene haar. Het miserabele, ellendige wezen.
Dag.


Vreemd volkje

Ze noemen zichzelf het zwamdrubervolk. Ze hebben een hekel aan vreemden en spinazie. Spinazie? Ja, want dat is belachelijk groen. Ze eten bruine bonen en aardappelen.

Niet alleen aan vreemden ze hebben ze de pest, maar ze lijden nog erger onder verandering. Alles moet blijven zoals het is. Dat prenten ze hun kinderen goed in. Stil zitten en ademen moeten de kinderen. En napraten. Zelf denken is gevaarlijk zegt men.

Als er een vreemdeling aan de deur klopt blijft die deur dicht. Ze kunnen dat ruiken, vreemdelingen ruiken namelijk anders. Naar zeep en knoflook, twee verboden producten in Zwamdrubia. Van zeep komt maar nieuw vel en van knoflook groeien je hersens en dat is nergens voor nodig.

Maar die buitenlanders dachten daar anders over. Die bleven maar komen. Ze klopten niet alleen op de deuren maar ook op de ramen. Ze kwamen op de scholen, ze zaten met hun vervoerstuigen op de weg. Het was vreselijk. Luiken voor de ramen, prikkeldraad om de tuin, grote borden met verboden voor vreemdelingen, niets hielp. Dus besloten de Zwamdrubers een muur te bouwen om hun huizen. Dat hielp geweldig, daar kwam geen vreemdeling door. Ze bouwden muren om hun scholen. Om hun wegen. Om alles eigenlijk en tenslotte een dikke muur om hun land. Zie zo rust, zeiden de ouden. Zie zo rust, zeiden de jongen. Zie zo rust, blaften de honden. De katten zeiden niets, die lagen op de hoge muur te zonnen. Maar in het land werd zonlicht een schaars artikel. Overal hoge muren en dus veel schaduw.

En bleef nu alles hetzelfde? Nee, natuurlijk niet. De mensen begonnen krom te groeien door gebrek aan licht, gebrek aan gouden zonlicht. Ze dachten erover om spiegels op te hangen om het zonlicht over de muren te laten schijnen. Maar dat kon natuurlijk niet, dat zou godbewaar zeiden de ouden, godbewaar zeiden de jongen, dat zou godbewaar een verandering zijn. Dus ze groeiden krommer en strammer en krompen massaal. En wie hadden dat gedaan? De vreemdelingen natuurlijk. Die waren immers de schuld van alles. Het hele land werd volgeplakt met papieren waarop stond: weg met de vreemdelingen. Schuld is een vreemdeling. De Zwamdrubers vonden dat prachtige teksten.

Tot op een dag er een nieuw kind geboren werd. Wat ze ook probeerden om dat kind goed op te voeden, niets hielp. Zij stelde vragen. Ze gilde. Ze wilde de zon in. Zij wilde over de muur. En erger nog, ze wilde spinazie. Daar was eigenlijk de hele ruzie mee begonnen. Want haar moeder probeerde haar dochter te geven wat zij zo behoefde. En meer moeders deden dat ook bij hun stoute meisjes. Och hemel, het werd in dat landje binnen de muren oorlog. Iedereen beschuldigde iedereen ervan een vreemdeling te zijn. Een verrader is onder ons, zei men.

Het riool verstopte. Maar niemand besteedde er aandacht aan. Ze hadden het te druk met vreemdelingen haten en de verrader te vinden. Zo kwam het. Langzamerhand werd het hele land bedekt met een dikke laag stront. In het begin werden er nog stemmen gehoord die riepen om schoonmaak. En stemmen die riepen: Muren neer. Maar alles zakte weg in die dikke drabbige laag. Het hele land verdween. Maar heel soms hoor je de geluiden nog uit het stinkend moeras komen. Weg met de... en dan een gesmoord borrelend geluid.